De Wro kent verschillende flexibiliteitsinstrumenten: bijvoorbeeld voorlopige bestemmingen, de wijzigingsbevoegdheid en de uitwerkingsplicht. Als een uitwerkingsplicht in een bestemmingsplan wordt opgenomen, dan geldt eerst nog een globale bestemming, die later door burgemeester en wethouders moet worden uitgewerkt: moeten, niet mogen; althans daar lijkt het wettelijk systeem op te wijzen.
Het bestemmingsplan moet de regels bevatten, waarmee burgemeester en wethouders rekening moeten houden als het plan wordt uitgewerkt. Met zo’n uitwerkingsplicht kan enige beleidsvrijheid worden gecreëerd, maar duidelijk is wel dat, uit oogpunt van rechtszekerheid, in het bestemmingsplan al voldoende inzicht moet worden geboden over de al dan niet toe te laten bouw- en gebruiksmogelijkheden. Meestal wordt een bouwverbod opgenomen, zolang het plan nog niet is uitgewerkt in een gedetailleerde bestemming. Eigenaren van percelen waarvan de bestemming nog moet worden uitgewerkt, hebben vaak belang bij een spoedige gedetailleerde uitwerking.
Het gaat aldus om een plicht tot uitwerken. Maar wat nu als burgemeester en wethouders maar niet tot uitwerking overgaan? Dat overkwam een varkenshouder in Tilburg, op wiens perceel de bestemming “bedrijven, uit te werken door burgemeester en wethouders – B1 en B2” gold. Het bestemmingsplan was in januari 2004 onherroepelijk geworden. Een uitwerkingsplan bleef echter uit; ook nadat de varkenshouder zo’n zes jaar na inwerkingtreding van het bestemmingsplan een verzoek tot uitwerking aan het college had gericht. Tegen de weigering om het bestemmingsplan uit te werken (maart 2011) maakte de varkenshouder bezwaar, waarna hij in hoger beroep kwam bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Hij voerde onder meer aan dat het bestemmingsplan per 1 januari 2013 geactualiseerd moest worden, en dat er toch voordien uitvoering gegeven moest worden aan de uitwerkingsplicht.
Burgemeester en wethouders betoogden dat zij nog geen uitwerkingsplan wilden opstellen omdat de realisering van de voor het bedrijventerrein noodzakelijke ontsluitingsweg nog niet financieel haalbaar was. Om die reden was er ook nog geen stedenbouwkundig structuur/beeldkwaliteitsplan vastgesteld; een voorwaarde voor het kunnen vaststellen van een uitwerkingsplan.
De Afdeling oordeelde allereerst dat het college een grote mate van vrijheid toekomt ten aanzien van het tijdstip en de wijze waarop een bestemmingsplan wordt uitgewerkt. Uit het bestreden besluit maakte de Afdeling op dat het college draagkrachtig had gemotiveerd waarom hij vooralsnog niet tot uitwerking wilde overgaan. Dat voor 1 januari 2013 ter voldoening van de actualiseringsplicht in artikel 3.1 lid 2 Wro de op het perceel rustende bestemmingen zullen moeten worden heroverwogen, betekent niet dat het plan voor die heroverweging alsnog uitgewerkt moet worden, aldus de Afdeling. (AbRS 19 september 2012, 201110861)
Hoezeer is de uitwerkingsplicht dan nog een plicht? Waar ontmoeten flexibiliteit en rechtszekerheid elkaar? Kennelijk vooralsnog niet op het erf van de varkenshouder in Tilburg.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Marieke Dankbaar (tel. 023 5530 230; dankbaar@potjonker.nl) of een van de andere advocaten van de sectie Bestuurs- en Overheidsrecht van Pot Jonker Seunke advocaten.
Pot Jonker is het grootste advocatenkantoor in de regio Haarlem. Wij zijn gespecialiseerd op het gebied van arbeidsrecht, onderwijsrecht, ondernemingsrecht, vastgoedrecht, bestuursrecht, agrarisch recht en familierecht.
Posts tonen met het label wijzigingsbevoegdheid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label wijzigingsbevoegdheid. Alle posts tonen
donderdag 27 september 2012
maandag 23 juli 2012
Geen ambtshalve toetsing wijzigingsbevoegdheid
Een bestemmingsplan wordt vastgesteld door de gemeenteraad. In artikel 3.6 lid 1 en sub a van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat in een bestemmingsplan een bevoegdheid tot wijziging van een bestemmingsplan opgenomen kan worden voor het college van b & w. Indien deze bevoegdheid wordt uitgeoefend kan een bestemmingsplan gewijzigd worden zonder dat de met vele waarborgen omklede procedure van art. 3.7 en 3.8 Wro gevolgd hoeft te worden. Om rechtsonzekerheid te voorkomen dient in voldoende mate te zijn bepaald in welke gevallen en op welke wijze hiervan gebruik mag worden gemaakt, zo volgt uit jurisprudentie (AbRS 21 april 2010, LJN BM1793). Daarmee wordt bedoeld dat onder meer duidelijk moet zijn in welk geval de bevoegdheid toegepast kan worden.
Op 4 juli 2012 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak uitspraak gedaan (LJN BX0308) in een zaak waarin een wijzigingsbevoegdheid die met dit vereiste in strijd lijkt te zijn onbesproken werd gelaten. De conclusie die uit deze uitspraak getrokken kan worden is dat dit vereiste geen regel is waar de Afdeling ambtshalve aan toetst.
Het ging om het bestemmingsplan van de deelraad van het stadsdeel Centrum van Amsterdam. Op een aantal percelen en panden rust ingevolge dit nieuwe bestemmingsplan de bestemming Maatschappelijk-1. Volgens de planregels zijn de als zodanig aangewezen percelen en panden bestemd voor onder andere onderwijsvoorzieningen, welzijnsvoorzieningen, medische voorzieningen en sociaal-culturele voorzieningen. Daarnaast is een aantal panden positief bestemd (d.w.z. dat er de bestemming aan wordt gegeven die op dat moment wordt uitgeoefend), waaronder de studio’s van Desmet.
Volgens het ontwerp-bestemmingsplan rustte op de studio’s aanvankelijk de bestemming Gemengd-1. Die bestemming laat de vestiging van onder andere kantoren, woningen en bedrijven toe. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan is op de studio’s naar aanleiding van een amendement echter de bestemming Maatschappelijk-1 gelegd, waarmee de vestiging van commerciële bedrijven niet is toegestaan.
Desmet gaat tegen de gewijzigde vaststelling in beroep. Desmet voert o.a. aan dat vanwege de bestemmingswijziging gevreesd moet worden voor een exponentiële waardedaling. Desmet acht het ook ‘zakelijk ongewenst dat bij een voorgenomen verkoop het vastgoed eerst aan de gemeente Amsterdam wordt aangeboden’.
De Afdeling verwerpt het beroep, omdat de waardevermindering niet zodanig zal zijn dat hieraan een groter gewicht had moeten worden toegekend dan aan de belangen die met het plan aan de orde zijn, en bovendien Desmet zijn huidige gebruik kan voortzetten, en de bestemming dus in zoverre passend is.
De Afdeling wijst ook op de wijzigingsbevoegdheid waardoor de studio's eventueel de bestemming "Gemengd-2" kunnen krijgen. De Afdeling gaat niet in op het vermeende voorkeursrecht bij verkoop ten behoeve van de gemeente; afgaand op de planregels is hier ook in het geheel geen sprake van.
De Afdeling zegt niets over het criterium op grond waarvan de wijzigingsbevoegdheid uitgeoefend kan worden. Dit criterium staat in art. 11.7.1 van de planregels: ‘indien en voorzover voor een gebouw met de bestemming 'Maatschappelijk-1' geen maatschappelijke functies voorhanden zijn.’ Dat is behoorlijk vaag: wanneer zijn er geen maatschappelijke functies ‘voorhanden’? De plantoelichting maakt het er iets, maar niet veel duidelijker op. De wijzigingsprocedure kan worden ingezet als binnen een termijn van drie maanden ‘vanuit andere maatschappelijke instellingen geen belangstelling voor het pand blijkt’ (zie Toelichting par. 5.4.3 Uitgangspunten). Maar wanneer is gebleken dat er geen belangstelling is?
Het is dus bepaald onduidelijk in welk geval het college van b & w de bestemming kan wijzigen naar Gemengd- 2. Bij wie ligt de bewijslast aan te tonen dat geen maatschappelijke functies voor handen waren, dan wel niet van belangstelling vanuit maatschappelijke functies gebleken is? Stel dat zich een vrijwilligersorganisatie aandient die het pand voor een slechts een symbolisch bedrag wil huren, kan Desmet dan stellen dat geen maatschappelijke functie ‘voorhanden’ is? Evident is dat het belang van Desmet bij de bestemming Gemengd – 2 , in geval Desmet de panden zou willen verkopen of verhuren, groot is. Want dan is het immers mogelijk om de panden aan een commerciële partij te verhuren, die bereid en in staat zal zijn een goede prijs te betalen.
Er kunnen twee redenen aangevoerd worden voor het feit dat de Afdeling deze evidente strijd met de norm van de objectieve begrenzing laat liggen. In de eerste plaats zou Desmet slechter af geweest zijn met een vernietiging van de wijzigingsbevoegdheid: had de Afdeling vernietigd, dan was deze verdwenen uit het bestemmingplan, en was de kans op een andere bestemming verkeken, althans in deze vorm. Desmet was dan slechter af geweest met het instellen van zijn beroep, hetgeen in strijd geweest met het verbod van reformatio in peius (het door een belanghebbende instellen van bezwaar of beroep mag niet leiden tot een verslechtering van zijn positie). In de tweede plaats: bij gebreke van door Desmet aangevoerde gronden had de Afdeling ook ambtshalve kunnen toetsen (toetsing zonder dat dit door partijen wordt aangevoerd) aan de bovengenoemde norm. Ambtshalve toetsing geldt echter slechts voor regels van openbare orde (o.m. de regels van bevoegdheid en ontvankelijkheid). Uit deze uitspraak kan dus geconcludeerd worden dat de norm van objectieve begrenzing, hoezeer ook geschonden, hier niet onder valt.
Mr. W.P. Boor, paralegal bij Pot Jonker Seunke advocaten
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met de sectie Bestuurs- en overheidsrecht van Pot Jonker Seunke advocaten, info@potjonker.nl, of 023 553 02 30.
Op 4 juli 2012 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak uitspraak gedaan (LJN BX0308) in een zaak waarin een wijzigingsbevoegdheid die met dit vereiste in strijd lijkt te zijn onbesproken werd gelaten. De conclusie die uit deze uitspraak getrokken kan worden is dat dit vereiste geen regel is waar de Afdeling ambtshalve aan toetst.
Het ging om het bestemmingsplan van de deelraad van het stadsdeel Centrum van Amsterdam. Op een aantal percelen en panden rust ingevolge dit nieuwe bestemmingsplan de bestemming Maatschappelijk-1. Volgens de planregels zijn de als zodanig aangewezen percelen en panden bestemd voor onder andere onderwijsvoorzieningen, welzijnsvoorzieningen, medische voorzieningen en sociaal-culturele voorzieningen. Daarnaast is een aantal panden positief bestemd (d.w.z. dat er de bestemming aan wordt gegeven die op dat moment wordt uitgeoefend), waaronder de studio’s van Desmet.
Volgens het ontwerp-bestemmingsplan rustte op de studio’s aanvankelijk de bestemming Gemengd-1. Die bestemming laat de vestiging van onder andere kantoren, woningen en bedrijven toe. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan is op de studio’s naar aanleiding van een amendement echter de bestemming Maatschappelijk-1 gelegd, waarmee de vestiging van commerciële bedrijven niet is toegestaan.
Desmet gaat tegen de gewijzigde vaststelling in beroep. Desmet voert o.a. aan dat vanwege de bestemmingswijziging gevreesd moet worden voor een exponentiële waardedaling. Desmet acht het ook ‘zakelijk ongewenst dat bij een voorgenomen verkoop het vastgoed eerst aan de gemeente Amsterdam wordt aangeboden’.
De Afdeling verwerpt het beroep, omdat de waardevermindering niet zodanig zal zijn dat hieraan een groter gewicht had moeten worden toegekend dan aan de belangen die met het plan aan de orde zijn, en bovendien Desmet zijn huidige gebruik kan voortzetten, en de bestemming dus in zoverre passend is.
De Afdeling wijst ook op de wijzigingsbevoegdheid waardoor de studio's eventueel de bestemming "Gemengd-2" kunnen krijgen. De Afdeling gaat niet in op het vermeende voorkeursrecht bij verkoop ten behoeve van de gemeente; afgaand op de planregels is hier ook in het geheel geen sprake van.
De Afdeling zegt niets over het criterium op grond waarvan de wijzigingsbevoegdheid uitgeoefend kan worden. Dit criterium staat in art. 11.7.1 van de planregels: ‘indien en voorzover voor een gebouw met de bestemming 'Maatschappelijk-1' geen maatschappelijke functies voorhanden zijn.’ Dat is behoorlijk vaag: wanneer zijn er geen maatschappelijke functies ‘voorhanden’? De plantoelichting maakt het er iets, maar niet veel duidelijker op. De wijzigingsprocedure kan worden ingezet als binnen een termijn van drie maanden ‘vanuit andere maatschappelijke instellingen geen belangstelling voor het pand blijkt’ (zie Toelichting par. 5.4.3 Uitgangspunten). Maar wanneer is gebleken dat er geen belangstelling is?
Het is dus bepaald onduidelijk in welk geval het college van b & w de bestemming kan wijzigen naar Gemengd- 2. Bij wie ligt de bewijslast aan te tonen dat geen maatschappelijke functies voor handen waren, dan wel niet van belangstelling vanuit maatschappelijke functies gebleken is? Stel dat zich een vrijwilligersorganisatie aandient die het pand voor een slechts een symbolisch bedrag wil huren, kan Desmet dan stellen dat geen maatschappelijke functie ‘voorhanden’ is? Evident is dat het belang van Desmet bij de bestemming Gemengd – 2 , in geval Desmet de panden zou willen verkopen of verhuren, groot is. Want dan is het immers mogelijk om de panden aan een commerciële partij te verhuren, die bereid en in staat zal zijn een goede prijs te betalen.
Er kunnen twee redenen aangevoerd worden voor het feit dat de Afdeling deze evidente strijd met de norm van de objectieve begrenzing laat liggen. In de eerste plaats zou Desmet slechter af geweest zijn met een vernietiging van de wijzigingsbevoegdheid: had de Afdeling vernietigd, dan was deze verdwenen uit het bestemmingplan, en was de kans op een andere bestemming verkeken, althans in deze vorm. Desmet was dan slechter af geweest met het instellen van zijn beroep, hetgeen in strijd geweest met het verbod van reformatio in peius (het door een belanghebbende instellen van bezwaar of beroep mag niet leiden tot een verslechtering van zijn positie). In de tweede plaats: bij gebreke van door Desmet aangevoerde gronden had de Afdeling ook ambtshalve kunnen toetsen (toetsing zonder dat dit door partijen wordt aangevoerd) aan de bovengenoemde norm. Ambtshalve toetsing geldt echter slechts voor regels van openbare orde (o.m. de regels van bevoegdheid en ontvankelijkheid). Uit deze uitspraak kan dus geconcludeerd worden dat de norm van objectieve begrenzing, hoezeer ook geschonden, hier niet onder valt.
Mr. W.P. Boor, paralegal bij Pot Jonker Seunke advocaten
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met de sectie Bestuurs- en overheidsrecht van Pot Jonker Seunke advocaten, info@potjonker.nl, of 023 553 02 30.
dinsdag 13 december 2011
Uitwerkingsplicht en toekomstige ontwikkelingen
Kan de gemeenteraad een uitwerkingsplicht of wijzigingsbevoegdheid onder de Wro nog aan zichzelf houden en verdragen sterk uiteenlopende uitwerkingsvarianten zich met artikel 3.1.4 Bro? Deze vragen kwamen in recente uitspraken van de Afdeling aan de orde.
De mogelijkheid voor de gemeenteraad om bij een bestemmingsplan voor burgemeester en wethouders een uitwerkingsplicht en/of een wijzigingsbevoegdheid op te nemen, is geregeld in artikel 3.6, aanhef en eerste lid, onder a en b, Wro. In tegenstelling tot het artikel 11, eerste lid, WRO is daarin niet langer bepaald dat de raad een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht aan zichzelf kan houden. In haar uitspraak van 29 maart 2010 (200910189/3/R1) stelde de Afdeling dat de raad een wijzigingsbevoegdheid onder de Wro niet meer aan zichzelf kan voorbehouden, maar dat dit niet betekent dat een wijzigingsbevoegdheid in een op grond van de WRO (oud) tot stand gekomen bestemmingsplan waarvan de gemeenteraad de toepassing aan zich zelf heeft voorbehouden, na 1 juli 2009 (datum inwerkingtreding Wro) niet meer door de gemeenteraad zou kunnen worden toegepast.
Het oordeel dat de raad zichzelf onder de Wro geen wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht kan voorbehouden heeft de Afdeling onlangs herhaald in haar uitspraak van 7 december 2011 (Zandvoort, 2009090881/1/R1). Daarbij wees de Afdeling op de ratio, die is gelegen in het feit dat de raad de mogelijkheid heeft om zelf een nieuw bestemmingsplan vast te stellen.
In laatstgenoemde uitspraak Zandvoort kwam verder aan de orde waaraan een uitwerkingsplicht moet voldoen. Daarbij had de raad in het bestemmingsplan voor een bepaald gebied drie uitwerkingsrichtingen opgenomen ten behoeve van het ontwikkelen van bebouwing voor toeristische doeleinden. In de uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 2011 (Zuidplas, 200906804/1/R1) waren (onder andere) ook drie uitwerkingsvarianten aan de orde, welke zagen op de wijze waarop een uitleglocatie vorm zou krijgen.
In beide uitspraken wijst de Afdeling eerst op artikel 3.1.4 van het Bro, waarin is gesteld dat het bepaalde in het bestemmingsplan voor een op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder b, van de Wro uit te werken deel van het plan op zodanige wijze de doelstellingen aan, dat voldoende inzicht wordt gekregen in de toekomstige ontwikkeling van het desbetreffende gebied. Voor het antwoord op de vraag of in een concreet geval voldoende inzicht is geboden, overweegt de Afdeling dat onder meer van belang is hoe het desbetreffende gebied is ingericht. Naarmate de gevestigde belangen in een bepaald gebied groter of talrijker zijn, dient uit een oogpunt van rechtszekerheid een groter inzicht in de hoofdlijnen van de toekomstige ontwikkeling van dat gebied geboden te worden. Een uit te werken plan dat betrekking heeft op een verstedelijkt gebied – zoals Zandvoort – zal in het algemeen dus aan meer stringente uitwerkingsbepalingen moeten voldoen dan een uit te werken plan dat betrekking heeft op een open nieuw in te richten buitengebied, zoals in de zaak Zuidplas.
In de uitspraak Zuidplas verschilden de drie alternatieven sterk van elkaar voor wat betreft de inrichting van het gebied. In de varianten kwamen verschillende bestemmingen voor. Nu daarnaast de alternatieven afhankelijk waren van het aantonen van de noodzakelijkheid van de ontwikkeling door gedeputeerde staten en in de regels niet werd voorzien in een maximum aantal te bouwen woningen en bebouwingspercentages of andere concrete inrichtings- en bouwregels, werd naar het oordeel van de Afdeling in meerdere opzichten onvoldoende inzicht gekregen in de toekomstige ontwikkelingen als bedoeld in artikel 3.1.4 Bro.
In de uitspraak Zandvoort was de bestemming in de drie varianten voor de inrichting van het gebied telkens dezelfde. De variatie zat hier in de de vorm en de positie van de bebouwing. De Afdeling overweegt echter (onder meer) ook in deze uitspraak dat in de regels niet wordt voorzien in een maximum aantal te bouwen woningen of andere concrete inrichtings- en bouwregels, zoals de plaats van de hoogbouw zodat onvoldoende inzicht wordt verkregen in de toekomstige ontwikkeling van het gebied als bedoeld in artikel 3.1.4 Bro.
Duidelijk is dat varianten op zichzelf niet zijn uitgesloten, maar dat sterk uiteenlopende varianten zich niet met 3.1.4 Bro lijken te verdragen en dat overigens elk van de varianten op zich voldoende concreet moet zijn, hetgeen met name geldt voor ontwikkelingen in stedelijke gebied. Dit laatste betekent extra werk in de praktijk.
Mr. A.M. (Anke) van de Laar, advocaat bij Pot Jonker Seunke Advocaten
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Anke van de Laar (tel: 023-5530230; vandelaar@potjonker.nl) of een van de andere advocaten van de sectie Bestuurs- en overheidsrecht van Pot Jonker Seunke advocaten.
De mogelijkheid voor de gemeenteraad om bij een bestemmingsplan voor burgemeester en wethouders een uitwerkingsplicht en/of een wijzigingsbevoegdheid op te nemen, is geregeld in artikel 3.6, aanhef en eerste lid, onder a en b, Wro. In tegenstelling tot het artikel 11, eerste lid, WRO is daarin niet langer bepaald dat de raad een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht aan zichzelf kan houden. In haar uitspraak van 29 maart 2010 (200910189/3/R1) stelde de Afdeling dat de raad een wijzigingsbevoegdheid onder de Wro niet meer aan zichzelf kan voorbehouden, maar dat dit niet betekent dat een wijzigingsbevoegdheid in een op grond van de WRO (oud) tot stand gekomen bestemmingsplan waarvan de gemeenteraad de toepassing aan zich zelf heeft voorbehouden, na 1 juli 2009 (datum inwerkingtreding Wro) niet meer door de gemeenteraad zou kunnen worden toegepast.
Het oordeel dat de raad zichzelf onder de Wro geen wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht kan voorbehouden heeft de Afdeling onlangs herhaald in haar uitspraak van 7 december 2011 (Zandvoort, 2009090881/1/R1). Daarbij wees de Afdeling op de ratio, die is gelegen in het feit dat de raad de mogelijkheid heeft om zelf een nieuw bestemmingsplan vast te stellen.
In laatstgenoemde uitspraak Zandvoort kwam verder aan de orde waaraan een uitwerkingsplicht moet voldoen. Daarbij had de raad in het bestemmingsplan voor een bepaald gebied drie uitwerkingsrichtingen opgenomen ten behoeve van het ontwikkelen van bebouwing voor toeristische doeleinden. In de uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 2011 (Zuidplas, 200906804/1/R1) waren (onder andere) ook drie uitwerkingsvarianten aan de orde, welke zagen op de wijze waarop een uitleglocatie vorm zou krijgen.
In beide uitspraken wijst de Afdeling eerst op artikel 3.1.4 van het Bro, waarin is gesteld dat het bepaalde in het bestemmingsplan voor een op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder b, van de Wro uit te werken deel van het plan op zodanige wijze de doelstellingen aan, dat voldoende inzicht wordt gekregen in de toekomstige ontwikkeling van het desbetreffende gebied. Voor het antwoord op de vraag of in een concreet geval voldoende inzicht is geboden, overweegt de Afdeling dat onder meer van belang is hoe het desbetreffende gebied is ingericht. Naarmate de gevestigde belangen in een bepaald gebied groter of talrijker zijn, dient uit een oogpunt van rechtszekerheid een groter inzicht in de hoofdlijnen van de toekomstige ontwikkeling van dat gebied geboden te worden. Een uit te werken plan dat betrekking heeft op een verstedelijkt gebied – zoals Zandvoort – zal in het algemeen dus aan meer stringente uitwerkingsbepalingen moeten voldoen dan een uit te werken plan dat betrekking heeft op een open nieuw in te richten buitengebied, zoals in de zaak Zuidplas.
In de uitspraak Zuidplas verschilden de drie alternatieven sterk van elkaar voor wat betreft de inrichting van het gebied. In de varianten kwamen verschillende bestemmingen voor. Nu daarnaast de alternatieven afhankelijk waren van het aantonen van de noodzakelijkheid van de ontwikkeling door gedeputeerde staten en in de regels niet werd voorzien in een maximum aantal te bouwen woningen en bebouwingspercentages of andere concrete inrichtings- en bouwregels, werd naar het oordeel van de Afdeling in meerdere opzichten onvoldoende inzicht gekregen in de toekomstige ontwikkelingen als bedoeld in artikel 3.1.4 Bro.
In de uitspraak Zandvoort was de bestemming in de drie varianten voor de inrichting van het gebied telkens dezelfde. De variatie zat hier in de de vorm en de positie van de bebouwing. De Afdeling overweegt echter (onder meer) ook in deze uitspraak dat in de regels niet wordt voorzien in een maximum aantal te bouwen woningen of andere concrete inrichtings- en bouwregels, zoals de plaats van de hoogbouw zodat onvoldoende inzicht wordt verkregen in de toekomstige ontwikkeling van het gebied als bedoeld in artikel 3.1.4 Bro.
Duidelijk is dat varianten op zichzelf niet zijn uitgesloten, maar dat sterk uiteenlopende varianten zich niet met 3.1.4 Bro lijken te verdragen en dat overigens elk van de varianten op zich voldoende concreet moet zijn, hetgeen met name geldt voor ontwikkelingen in stedelijke gebied. Dit laatste betekent extra werk in de praktijk.
Mr. A.M. (Anke) van de Laar, advocaat bij Pot Jonker Seunke Advocaten
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Anke van de Laar (tel: 023-5530230; vandelaar@potjonker.nl) of een van de andere advocaten van de sectie Bestuurs- en overheidsrecht van Pot Jonker Seunke advocaten.
Abonneren op:
Posts (Atom)