Pagina's

donderdag 15 september 2011

Partneralimentatie moet maximaal vijf jaar duren

Dit vindt ruim 62 procent van de Nederlandse bevolking, blijkt uit onderzoek van TNS NIPO onder ruim 1000 Nederlanders (waarvan de helft gescheiden is) in opdracht van de vereniging van Familierecht Advocaten Scheidingsmediators (vFAS). Uit hetzelfde onderzoek komt naar voren dat 40 procent van de ouders toegeeft dat co-ouderschap leuker is voor ouders dan voor de kinderen. De vFAS organiseert op 15 september voor de tweede keer de Dag van de Scheiding.

Voor partners die uit elkaar gaan en hun omgeving heeft een scheiding grote gevolgen. Zo moeten er veel zaken geregeld worden omtrent o.a. partneralimentatie en de opvoeding van de kinderen. En dat alles in een situatie waarin overleg vaak moeilijk is. De vFAS wil in het kader van ‘scheiden doe je samen’ met haar advocaten en scheidingsmediators een bijdrage leveren aan het verbeteren van het proces rondom een echtscheiding. Daartoe organiseerden zij vandaag het congres ‘De Scheiding van de Toekomst’ in de Nieuwe Kerk te Den Haag waar staatssecretaris Teeven de bovengenoemde onderzoeksresultaten in ontvangst nam.

Verdeeldheid over de duur van partneralimentatie
Een meerderheid van de Nederlanders is dus van mening dat partneralimentatie maximaal vijf jaar zou moeten duren. Een vijfde (21 procent) vindt zelfs dat de partner binnen een jaar zelf in zijn/haar levensonderhoud zou moeten kunnen voorzien. Gescheiden mannen zijn vaak strenger omtrent de duur van partneralimentatie dan gescheiden vrouwen. Voor 33 procent van de gescheiden vrouwen zou er zelfs helemaal geen maximum aantal jaren aan de alimentatie moeten zitten. Het is op het moment bij wet geregeld dat bij huwelijken die op of na 1 juli 1994 zijn gesloten, maximaal twaalf jaar partneralimentatie moet worden betaald. De plicht tot partneralimentatie kan ook korter zijn. Als het huwelijk korter duurde dan vijf jaar en er zijn geen kinderen, dan kan de alimentatieplicht niet langer zijn dan dat het huwelijk duurde.

Co-ouderschap en het belang van de kinderen
Co-ouderschap is een ouderschapsregeling waarbij de ouders allebei een gelijk deel van de zorg- en opvoedingstaken voor het kind op zich nemen. Co-ouderschap blijkt dus vooral leuk voor ouders. Tegelijkertijd blijkt uit hetzelfde onderzoek dat negen op de tien Nederlanders het ermee eens is dat het belang van kinderen bij een echtscheiding altijd boven het belang van de ex-partner gaat en dat driekwart van de Nederlanders bij een scheiding ook als eerste aan een regeling voor de kinderen denkt. Ten slotte vindt een meerderheid van de Nederlanders (bijna 70 procent) dat ouders in een straal van 10 kilometer van elkaar moeten blijven wonen in het geval van co-ouderschap.

Professionele hulp voorkomt veel onduidelijkheid
Ongeveer de helft van de mensen die gescheiden is, vond de hele gang van zaken omtrent de scheiding erg tegenvallen; men heeft vooral moeite met afspraken maken over de omgangsregeling met de kinderen, de inboedel en kinderalimentatie. Terugkijkend op de scheiding denkt twee derde van de ondervraagden dat ze hun scheiding zonder professionele hulp niet hadden kunnen regelen. Anke Mulder, voorzitter van de vFAS: ”Wij vinden dat scheiden zorgvuldig moet gebeuren. Het liefst door overleg, waarbij de scheidende partijen een mediator of ieder hun eigen advocaat hebben, omdat uit onze praktijk blijkt dat dan de meest duurzame afspraken tot stand komen”.

Vragen staat vrij tijdens tweede Dag van de Scheiding op 15 september
Om meer aandacht te vragen voor scheiden en dit onderwerp uit de taboesfeer te halen, organiseert de vFAS op donderdag 15 september voor de tweede keer de Dag van de Scheiding. Ook dit jaar zetten alle familierechtadvocaten van de vFAS de deuren van hun kantoor open, zodat iedereen vrijblijvend voor informatie terecht kan. Kijk voor de adressen op www.dagvandescheiding.nl. De vFAS heeft gekozen voor de datum van 15 september omdat op die dag in 1796 de allereerste scheiding in Nederland plaatsvond.

woensdag 31 augustus 2011

De Vereniging van FamilierechtAdvocaten en Scheidingsbemiddelaars [vFAS] organiseert de Dag van de Scheiding 2011

De Scheidingsadvocaten van de vFAS organiseren net als in 2010 op 15 september de Dag van de Scheiding. Deze datum is niet willekeurig gekozen, de allereerste echtscheiding in Nederland werd op 15 september 1796 uitgesproken, hetgeen voor de vFAS aanleiding was om op deze dag landelijk aandacht te vragen voor de noodzaak van een deskundige begeleiding van scheidingen.

Om meer aandacht te vragen voor de grote maatschappelijke gevolgen van scheidingen, heeft de vFAS, de vereniging van Familierecht Advocaten Scheidingsmediators het initiatief genomen om de Dag van de Scheiding te organiseren. De vereniging wil de aandacht vestigen op het belang van een goed begeleide, respectvolle scheiding. Daarnaast vindt de vFAS het belangrijk dat de discussie over scheiden in het openbaar gevoerd wordt en dat er een brede maatschappelijke discussie op gang komt over de gevolgen van scheidingen.

Op de Dag van de Scheiding kunt u vrijblijvend bij de kantoren van de vFAS terecht voor de scheidingscheck en/of voor uw eventuele andere vragen met betrekking tot scheiden. Ook Pot Jonker Seunke advocaten opent die dag haar deuren. Aan het vragen van advies zijn geen kosten verbonden. U kunt uw (eerste) vragen stellen en informatie meenemen. Vanzelfsprekend kunt u ook andere vragen stellen op het gebied van het personen- en familierecht.

Wij hopen u verder te kunnen helpen dus kom op 15 september langs. U bent vanaf 09.00 uur welkom tot in beginsel 18.00 uur. Wilt u ’s avonds langskomen, neem dan vooraf contact op met ons (T 023 – 553 02 30 – E oostlander@potjonker.nl).

dinsdag 23 augustus 2011

Alcohol en werk; gaat dat samen?

Muriel Middeldorp, partner en advocaat arbeidsrecht bij Pot Jonker Seunke te Haarlem, gaat regelmatig een blog schrijven op www.hrbase.nl, het grootste netwerk voor HR-professionals in Nederland. Haar eerste bijdrage gaat over de invloed van alcoholgebruik op de arbeidsrelatie.

Klik hier voor de blog van Muriel Middeldorp.

vrijdag 19 augustus 2011

De Monumentenwet gewijzigd: goed nieuws of slecht nieuws voor liefhebbers en eigenaren van monumenten?

Kort voor het zomerreces heeft de Eerste Kamer ingestemd met een wijziging van de Monumentenwet (Staatsblad 2011, 330). Dit biedt gemengd nieuws voor eigenaren van gebouwen uit de jaren ‘60 en ‘70. Tegelijkertijd verbetert de wet de positie van de eigenaar van een monument.

Om met het gemengde nieuws te beginnen: het enige harde criterium voor aanwijzing van een rijksmonument, t.w. dat het gebouw ouder dan 50 jaar moest zijn, wordt geschrapt. Ook jongere bouwwerken kunnen dus worden aangewezen, zonder dat er een ondergrens geldt. Met name eigenaren van bouwwerken uit de jaren ‘60 en ‘70 lopen nu risico met een aanwijzing geconfronteerd te worden.

Liefhebbers van zo’n gebouw die straks om aanwijzing daarvan zullen vragen, komen echter bedrogen uit: de mogelijk die de wet nu nog biedt om de Minister te verzoeken tot een aanwijzing, vervalt. Dit is zonder twijfel goed nieuws voor ontwikkelende partijen, die nogal eens hun planningen gefrustreerd zagen door te elfder ure gedane aanwijzingsverzoeken van omwonenden of belangengroeperingen; die verzoeken moesten dan eerst onherroepelijk zijn afgehandeld, voordat de sloop of renovatie kon aanvangen; tot die tijd gold immers de voorbescherming. Aanwijzing kan dus na 1 januari 2012, als de wijziging van de wet in werking treedt, alleen nog maar plaatsvinden op initiatief van de Minister, die dat in de praktijk overlaat aan de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Ook de voorbescherming kan dus alleen nog maar in het leven worden geroepen door de Minister en niet langer door omwonenden en belangenstichtingen.

Na dit gemengde nieuws voor de eigenaar van een pand dat nog geen monument is, dan het goede nieuws voor de eigenaar van een monument. Ten eerste wordt de eis afgezwakt dat voor elke ingreep in een rijksmonument een vergunning is vereist. Het wordt straks mogelijk om in ieder geval regulier onderhoud zonder vergunning uit te voeren. Daarbij is wel van belang dat materiaalsoort, kleur, vormgeving, detaillering en profilering niet wijzigen. De vergunningseis vervalt bovendien voor inpandige wijzigingen van onderdelen zonder monumentale waarde; blijkens de toelichting zal het dan als regel moeten gaan om wijziging van onderdelen die na aanwijzing zijn aangebracht. Dit wordt bereikt door het Besluit omgevingsrecht te wijzigen (Staatsblad 2011, 339). Het opmerkelijke feit doet zich straks voor dat eigenaren van rijksmonumenten op dit punt beter af zullen zijn dan eigenaren van monumenten die door gemeenten zijn aangewezen: gemeentelijke monumentenverordeningen voorzien nu als regel immers nog niet in een dergelijke vrijstelling.

Verder geldt nu nog dat de mogelijkheid om beperkte bouwwerken vergunningvrij te bouwen in de nabijheid van een monument in het Besluit omgevingsrecht sterk is beperkt. Door een wijziging daarvan wordt die mogelijkheid verruimd. Dit geldt ook bij gemeentelijke en provinciale monumenten.

Tenslotte worden subsidiemogelijkheden verruimd en dat al per 1 oktober a.s. Zo wordt het mogelijk om subsidie te krijgen voor het maken van plannen tot herbestemming van een monument. Ook wordt het mogelijk om voor de tijd die met herbestemming gemoeid is – in welke tijd er voor de eigenaar dikwijls geen inkomsten uit het monument gegenereerd kunnen worden – subsidie te krijgen om het pand wind- en waterdicht te houden. Deze subsidiemogelijkheid is niet beperkt tot rijksmonumenten: ook gemeentelijk en provinciale monumenten komen daarvoor in aanmerking.

Tegelijkertijd is het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Daardoor moeten gemeenten per 1 januari 2012 bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening houden met aanwezige cultuurhistorische waarden. Die verplichting geldt dan – anders dan nu nog het geval is – ook voor gebouwen, die niet als monument zijn aangewezen.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Jan Coen Binnerts (tel. 023-553 0246 of email binnerts@potjonker.nl) of met een van de andere advocaten van de sectie Bestuurs- en overheidsrecht.