Het is zomer en het onderwerp recreatiewoningen houdt de gemoederen bezig. Zo deed de Afdeling op 17 juli jl. een drietal uitspraken over het onderwerp. Alvorens nader in te gaan op deze uitspraken, wordt kort de stand van zaken met betrekking tot de problematiek rond permanente bewoning van recreatiewoningen geschetst.
In een eerdere bijdrage voor deze nieuwsbrief werd ingegaan op de intrekking op 10 februari 2012 van het wetsvoorstel vergunning onrechtmatige bewoning recreatiewoningen door de Minister van Infrastructuur en Milieu. Als gevolg van deze intrekking bleven gemeenten bevoegd tot eigen beleid om al dan niet een persoonsgebonden omgevingsvergunning te verlenen om bestaande gevallen van permanente bewoning (van voor 1 november 2003) te legaliseren. De Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) adviseerde haar leden ongeveer tegelijkertijd om de door haar voorgestelde beleidsregels over deze materie vast te stellen. Die modelbeleidsregels van de VNG namen de voorwaarden van het ingetrokken wetsvoorstel vrijwel letterlijk over. Bij brief van 17 april jl. heeft de Minister de Tweede Kamer geïnformeerd dat volgens de VNG inmiddels in alle gemeente beleidsregels zijn vastgesteld. Of dit de modelbeleidsregels zijn, is niet bekend. Wel is uit interviews met ‘relevante gemeenten’, gehouden door de VNG, gebleken dat het aantal “oude gevallen” ten opzichte van recente gevallen niet meer substantieel is waardoor de VNG verwacht dat de problematiek eind 2013 zal zijn teruggebracht tot enkele tientallen. De klaarblijkelijk in alle gemeenten vastgestelde beleidsregels speelden overigens geen rol in de drie uitspraken van de Afdeling van 17 juli jl.
In de eerste uitspraak van de Afdeling (Nunspeet, zaaknr. 201207119/1/A1) van 17 juli jl. had het College een omgevingsvergunning met een persoonsgebonden karakter verleend voor het in strijd met het bestemmingsplan bewonen van een recreatiewoning. Tegen deze vergunningverlening werd door een derde opgekomen. De Afdeling oordeelt dat het College (na tussenuitspraak) – door verwijzing naar overgelegde huurcontracten en maandoverzichten van betaalrekeningen – alsnog toereikend heeft gemotiveerd dat vergunninghouder de recreatiewoning onafgebroken heeft bewoond vanaf 31 oktober 2003. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
In de tweede uitspraak van de Afdeling (Bergen, zaaknr. 201202878/1/A1) van 17 juli jl. had het College een last onder dwangsom opgelegd om het gebruik van de uitbreiding van een woning als zomerwoning te beëindigen en beëindigd te houden. In een eerdere, in diezelfde uitgesproken tussenuitspraak had de Afdeling het College in de gelegenheid gesteld om alsnog voldoende te motiveren waarom de onderhavige situatie verschilde van een andere situatie waarin het College wel een omgevingsvergunning had verleend voor het bouwen en gebruiken van een bestaande, tijdelijk vergunde atelierwoning als recreatiewoning. De Afdeling oordeelt in haar uitspraak van 17 juli jl. dat het College in zijn nadere motivering voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het in het geval van de tijdelijk vergunde atelierwoning ten onrechte een omgevingsvergunning voor het bouwen en gebruiken als recreatiewoning heeft verleend en dat het, voor zover dat in zijn macht is, de gemaakte fout zal herstellen door alsnog die omgevingsvergunning te weigeren. De Afdeling overweegt dan ook dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet zo ver strekt dat het College een gemaakte fout moet herhalen.
In de derde uitspraak van de Afdeling (Raalte, zaaknr. 201208551/1/R1) van 17 juli jl. ging het om een reactieve aanwijzing door het College van Gedeputeerde Staten van Overijssel (GS) als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro). Die aanwijzing van GS strekte ertoe dat de plandelen met de bestemming “Wonen” voor 89 recreatiewoningen geen deel blijven uitmaken van het bestemmingsplan “Buitengebied Raalte” zoals dat door de raad was vastgesteld. Deze bestemming was volgens GS in strijd met het provinciale beleid zoals neergelegd in de Omgevingsvisie Overijssel 2009 en de provinciale Omgevingsverordening Overijssel 2009. In de provinciale visie en verordening is bepaald dat bestemmingsplannen niet voorzien in een wijziging waarbij aan recreatiewoningen een woonbestemming wordt toegekend. Dit kan slechts anders zijn indien de recreatiewoningen voor 1 november 2003 (onafgebroken) permanent bewoond worden en wordt voldaan aan de eisen van het Bouwbesluit 2003 én aan relevante milieuwet- en regelgeving én de recreatiewoningen in stads- en dorpsrandgebieden staan (niet aangewezen als EHS en Nationaal Landschap).
De Afdeling constateert dat de aanwijzing is gegeven met het oogmerk van handhaving van algemene regels uit de Omgevingsverordening die op grond van artikel 4.1, tweede lid, Wro, bij de vaststelling van een bestemmingsplan in acht moeten worden genomen. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat GS zich niet in redelijkheid de handhaving van de Omgevingsverordening als provinciaal belang heeft kunnen aantrekken. Nu de 89 recreatiewoningen niet in stads- en dorpsrandgebieden staan (en de uitzondering in de Omgevingsverordening niet van toepassing is), laat de Afdeling de aanwijzing in stand. Overigens was het gebruik van de 89 recreatiewoningen voor permanente bewoning toegestaan op grond van objectgebonden gebruiksovergangsrecht in de tot dusver geldende bestemmingsplannen. De reactieve aanwijzing brengt mee dat dit gebruiksovergangsrecht van toepassing blijft.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Anke van de Laar (vandelaar@potjonker.nl of 023- 5530230) of met een van de andere advocaten van de sectie Bestuurs- en Overheidsrecht van Pot Jonker Advocaten.
Pot Jonker is het grootste advocatenkantoor in de regio Haarlem. Wij zijn gespecialiseerd op het gebied van arbeidsrecht, onderwijsrecht, ondernemingsrecht, vastgoedrecht, bestuursrecht, agrarisch recht en familierecht.
Posts tonen met het label recreatiewoning. Alle posts tonen
Posts tonen met het label recreatiewoning. Alle posts tonen
donderdag 25 juli 2013
dinsdag 28 februari 2012
Gemeenten blijven bevoegd inzake permanente bewoning recreatiewoningen
De Minister van Infrastructuur en Milieu heeft op 10 februari jl. het wetsvoorstel vergunning onrechtmatige bewoning recreatiewoningen ingetrokken. Gemeenten blijven dus bevoegd tot eigen beleid om al dan niet een persoonsgebonden omgevingsvergunning te verlenen teneinde bestaande gevallen van permanente bewoning van recreatiewoningen te legaliseren. Ongeveer terzelfder tijd heeft de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) haar leden per brief dringend geadviseerd door haar voorgestelde beleidsregels over deze materie vast te stellen. Deze modelbeleidsregels van de VNG nemen de voorwaarden van het wetsvoorstel vrijwel letterlijk over.
Hoe ziet het alternatief van de VNG er uit? De VNG formuleert een tweetal beleidsregels. Deze beleidsregels komen er op neer dat een omgevingsvergunning tot bewoning verleend wordt indien er vóór 1 januari 2010 geen besluit tot handhaven of gedogen is genomen, en de bewoner door middel van een aantal met name genoemde bewijsmiddelen kan aantonen dat hij sinds 31 oktober 2003 de recreatiewoning onafgebroken bewoont. Verder moet uiteraard voldaan worden aan de eisen die de bestaande regelgeving stelt. Die eisen zijn geformuleerd in het Besluit omgevingsrecht (Bor): de bewoner moet vanaf 31 oktober 2003 de recreatiewoning onafgebroken als woning gebruiken en op dat moment meerderjarig zijn, de woning moet voldoen aan bij of krachtens de Woningwet aan een bestaande woning gestelde eisen, en de bewoning mag niet in strijd zijn met onder meer de gestelde regels bij of krachtens de Wet milieubeheer en de Wet geluidhinder. Verder is van belang dat slechts een persoonsgebonden omgevingsvergunning verleend kan worden. De vergunning geldt dus slechts voor de persoon die de recreatiewoning bewoont, en kan niet overgedragen worden aan anderen. Onderbreekt de bewoner de bewoning, dan eindigt bovendien de werking van de vergunning. Van belang is overigens goed voor ogen te houden dat bij niet tijdige beslissing op een aanvraag de vergunning van rechtswege wordt verleend.
Wat is nu het verschil tussen het afgeserveerde wetsvoorstel en het alternatief dat de VNG biedt? Het wetsvoorstel zou de bestaande beleidsvrijheid om op grond van de Wabo van het bestemmingsplan af te wijken inperken. Als aan de voorwaarden die het wetsvoorstel noemde voldaan werd, moesten gemeenten de aangevraagde vergunning verlenen. Als gemeenten de modelbeleidsregels van de VNG overnemen en vaststellen, behouden zij de mogelijkheid om op grond van bijzondere omstandigheden van de beleidsregels af te wijken. Gemeenten zijn bovendien vrij om de beleidsregels vast te stellen. Doen ze dat niet, dan verandert er niets aan de bestaande bevoegdheden, nu het wetsvoorstel van de baan is. In haar brief van 10 februari jl. aan de Eerste Kamer geeft de minister aan dat de zware kritiek in de Eerste Kamer, de strijdigheid met het kabinetsbeleid (zoals vastgesteld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en het regeerakkoord), maar ook het vertrouwen in het alternatief dat de VNG heeft aangedragen voor haar redenen waren het wetvoorstel in te trekken.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met de advocaten van de sectie Bestuurs- en overheidsrecht van Pot Jonker Seunke advocaten.
Hoe ziet het alternatief van de VNG er uit? De VNG formuleert een tweetal beleidsregels. Deze beleidsregels komen er op neer dat een omgevingsvergunning tot bewoning verleend wordt indien er vóór 1 januari 2010 geen besluit tot handhaven of gedogen is genomen, en de bewoner door middel van een aantal met name genoemde bewijsmiddelen kan aantonen dat hij sinds 31 oktober 2003 de recreatiewoning onafgebroken bewoont. Verder moet uiteraard voldaan worden aan de eisen die de bestaande regelgeving stelt. Die eisen zijn geformuleerd in het Besluit omgevingsrecht (Bor): de bewoner moet vanaf 31 oktober 2003 de recreatiewoning onafgebroken als woning gebruiken en op dat moment meerderjarig zijn, de woning moet voldoen aan bij of krachtens de Woningwet aan een bestaande woning gestelde eisen, en de bewoning mag niet in strijd zijn met onder meer de gestelde regels bij of krachtens de Wet milieubeheer en de Wet geluidhinder. Verder is van belang dat slechts een persoonsgebonden omgevingsvergunning verleend kan worden. De vergunning geldt dus slechts voor de persoon die de recreatiewoning bewoont, en kan niet overgedragen worden aan anderen. Onderbreekt de bewoner de bewoning, dan eindigt bovendien de werking van de vergunning. Van belang is overigens goed voor ogen te houden dat bij niet tijdige beslissing op een aanvraag de vergunning van rechtswege wordt verleend.
Wat is nu het verschil tussen het afgeserveerde wetsvoorstel en het alternatief dat de VNG biedt? Het wetsvoorstel zou de bestaande beleidsvrijheid om op grond van de Wabo van het bestemmingsplan af te wijken inperken. Als aan de voorwaarden die het wetsvoorstel noemde voldaan werd, moesten gemeenten de aangevraagde vergunning verlenen. Als gemeenten de modelbeleidsregels van de VNG overnemen en vaststellen, behouden zij de mogelijkheid om op grond van bijzondere omstandigheden van de beleidsregels af te wijken. Gemeenten zijn bovendien vrij om de beleidsregels vast te stellen. Doen ze dat niet, dan verandert er niets aan de bestaande bevoegdheden, nu het wetsvoorstel van de baan is. In haar brief van 10 februari jl. aan de Eerste Kamer geeft de minister aan dat de zware kritiek in de Eerste Kamer, de strijdigheid met het kabinetsbeleid (zoals vastgesteld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en het regeerakkoord), maar ook het vertrouwen in het alternatief dat de VNG heeft aangedragen voor haar redenen waren het wetvoorstel in te trekken.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met de advocaten van de sectie Bestuurs- en overheidsrecht van Pot Jonker Seunke advocaten.
Abonneren op:
Posts (Atom)